Söktermen afbreken har 56 resultat
NL Holländska SV Svenska
afbreken (v) [take apart] ta isär (v) [take apart]
afbreken (v) [relatie]
  • afgebroken
  • breekt af
  • breken af
  • brak af
  • braken af
brista (v) [relatie]
  • brusten
afbreken (v) [scheiden]
  • afgebroken
  • breekt af
  • breken af
  • brak af
  • braken af
brista (v) [scheiden]
  • brusten
afbreken (v) [telefoon]
  • afgebroken
  • breekt af
  • breken af
  • brak af
  • braken af
brista (v) [telefoon]
  • brusten
afbreken (v) [voorwerpen]
  • afgebroken
  • breekt af
  • breken af
  • brak af
  • braken af
brista (v) [voorwerpen]
  • brusten
NL Holländska SV Svenska
afbreken (v) [onderhandeling] springa av (v) [onderhandeling]
afbreken (v) [relatie] springa av (v) [relatie]
afbreken (v) [scheiden] springa av (v) [scheiden]
afbreken (v) [telefoon] springa av (v) [telefoon]
afbreken (v) [voorwerpen] springa av (v) [voorwerpen]
afbreken (adv n v) [cause (something) to come to an end]
  • afgebroken
  • breekt af
  • breken af
  • brak af
  • braken af
stoppa (adv n v) [cause (something) to come to an end]
  • stoppad
afbreken (n v) [computing: to terminate a process prior to completion]
  • afgebroken
  • breekt af
  • breken af
  • brak af
  • braken af
stoppa (n v) [computing: to terminate a process prior to completion]
  • stoppad
afbreken (v) [chemie] lösa upp (v) [chemie]
afbreken (v) [take apart]
  • afgebroken
  • breekt af
  • breken af
  • brak af
  • braken af
demontera (v) [take apart]
  • demonterad
afbreken (v) [onderhandeling]
  • afgebroken
  • breekt af
  • breken af
  • brak af
  • braken af
brista (v) [onderhandeling]
  • brusten
afbreken (v) [kleineren]
  • afgebroken
  • breekt af
  • breken af
  • brak af
  • braken af
nedvärdera (v) [kleineren]
  • nedvärderad
afbreken (v) [gebouw]
  • afgebroken
  • breekt af
  • breken af
  • brak af
  • braken af
rasera (v) [gebouw]
  • raserad
afbreken (v) [gebouw] jämna med marken (v) [gebouw]
afbreken (v) [gebouw]
  • afgebroken
  • breekt af
  • breken af
  • brak af
  • braken af
förstöra (v) [gebouw]
  • förstörd
afbreken (v) [gebouw]
  • afgebroken
  • breekt af
  • breken af
  • brak af
  • braken af
demolera (v) [gebouw]
  • demolerad
afbreken (v) [gebouw] riva ned (v) [gebouw]
afbreken (v) [kleineren]
  • afgebroken
  • breekt af
  • breken af
  • brak af
  • braken af
nedsätta (v) [kleineren]
  • nedsatt
afbreken (v) [kleineren] racka ner på (v) [kleineren]
afbreken (v) [linguïstiek] skriva med bindestreck (v) [linguïstiek]
afbreken (v) [chemie]
  • afgebroken
  • breekt af
  • breken af
  • brak af
  • braken af
sönderdela (v) [chemie]
  • sönderdelad
afbreken (v) [take apart]
  • afgebroken
  • breekt af
  • breken af
  • brak af
  • braken af
avveckla (v) [take apart]
  • avvecklad
afbreken (v) [take apart]
  • afgebroken
  • breekt af
  • breken af
  • brak af
  • braken af
nedmontera (v) [take apart]
  • nedmonterad
afbreken (v) [take apart] isärtaga (v) [take apart] (v)
afbreken (v) [scheiden]
  • afgebroken
  • breekt af
  • breken af
  • brak af
  • braken af
avbryta (v) [scheiden]
  • avbruten
afbreken (v) [relatie] bryta av (v) [relatie]
afbreken (v) [scheiden] bryta av (v) [scheiden]
afbreken (v) [telefoon] bryta av (v) [telefoon]
afbreken (v) [voorwerpen] bryta av (v) [voorwerpen]
afbreken (v) [onderhandeling]
  • afgebroken
  • breekt af
  • breken af
  • brak af
  • braken af
bryta (v) [onderhandeling]
  • bruten
afbreken (v) [relatie]
  • afgebroken
  • breekt af
  • breken af
  • brak af
  • braken af
bryta (v) [relatie]
  • bruten
afbreken (v) [scheiden]
  • afgebroken
  • breekt af
  • breken af
  • brak af
  • braken af
bryta (v) [scheiden]
  • bruten
afbreken (v) [telefoon]
  • afgebroken
  • breekt af
  • breken af
  • brak af
  • braken af
bryta (v) [telefoon]
  • bruten
afbreken (v) [voorwerpen]
  • afgebroken
  • breekt af
  • breken af
  • brak af
  • braken af
bryta (v) [voorwerpen]
  • bruten
afbreken (adv n v) [cause (something) to come to an end]
  • afgebroken
  • breekt af
  • breken af
  • brak af
  • braken af
avbryta (adv n v) [cause (something) to come to an end]
  • avbruten
afbreken (n v) [computing: to terminate a process prior to completion]
  • afgebroken
  • breekt af
  • breken af
  • brak af
  • braken af
avbryta (n v) [computing: to terminate a process prior to completion]
  • avbruten
afbreken (v) [onderhandeling]
  • afgebroken
  • breekt af
  • breken af
  • brak af
  • braken af
avbryta (v) [onderhandeling]
  • avbruten
afbreken (v) [relatie]
  • afgebroken
  • breekt af
  • breken af
  • brak af
  • braken af
avbryta (v) [relatie]
  • avbruten
afbreken (v) [onderhandeling] bryta av (v) [onderhandeling]
afbreken (v) [telefoon]
  • afgebroken
  • breekt af
  • breken af
  • brak af
  • braken af
avbryta (v) [telefoon]
  • avbruten
afbreken (v) [voorwerpen]
  • afgebroken
  • breekt af
  • breken af
  • brak af
  • braken af
avbryta (v) [voorwerpen]
  • avbruten
afbreken (v) [onderhandeling] slå upp (v) [onderhandeling]
afbreken (v) [relatie] slå upp (v) [relatie]
afbreken (v) [scheiden] slå upp (v) [scheiden]
afbreken (v) [telefoon] slå upp (v) [telefoon]
afbreken (v) [voorwerpen] slå upp (v) [voorwerpen]
afbreken (v) [onderhandeling] brytas av (v) [onderhandeling]
afbreken (v) [relatie] brytas av (v) [relatie]
afbreken (v) [scheiden] brytas av (v) [scheiden]
afbreken (v) [telefoon] brytas av (v) [telefoon]
afbreken (v) [voorwerpen] brytas av (v) [voorwerpen]
afbreken (v) [koord]
  • afgebroken
  • breekt af
  • breken af
  • brak af
  • braken af
brista (v) [koord]
  • brusten

Holländska Svenska översättingar