Söktermen afwijken har 20 resultat
NL Holländska SV Svenska
afwijken (v) [verschillen] skilja sig (v) [verschillen]
afwijken (v) [not to have the same characteristics] vara olika (v) [not to have the same characteristics]
afwijken (v) [not to have the same characteristics] skilja sig åt (v) [not to have the same characteristics]
afwijken (v) [to deviate]
  • afgeweken
  • wijkt af
  • wijken af
  • week af
  • weken af
skilja (v) [to deviate]
  • skild
afwijken (v) [verschillen] vara olik (v) [verschillen]
NL Holländska SV Svenska
afwijken (v) [mening] vara olik (v) [mening]
afwijken (v) [gedrag] vara olik (v) [gedrag]
afwijken (v) [verschillen]
  • afgeweken
  • wijkt af
  • wijken af
  • week af
  • weken af
divergera (v) [verschillen]
  • divergerad
afwijken (v) [mening]
  • afgeweken
  • wijkt af
  • wijken af
  • week af
  • weken af
divergera (v) [mening]
  • divergerad
afwijken (v) [gedrag]
  • afgeweken
  • wijkt af
  • wijken af
  • week af
  • weken af
divergera (v) [gedrag]
  • divergerad
afwijken (v) [afbuigen] böja av (v) [afbuigen]
afwijken (v) [mening] skilja sig (v) [mening]
afwijken (v) [gedrag] skilja sig (v) [gedrag]
afwijken (n) [act of deviating] avvikelse (n) [act of deviating] (u)
afwijken (v) [verschillen]
  • afgeweken
  • wijkt af
  • wijken af
  • week af
  • weken af
avvika (v) [verschillen]
  • avviken
afwijken (v) [to deviate]
  • afgeweken
  • wijkt af
  • wijken af
  • week af
  • weken af
avvika (v) [to deviate]
  • avviken
afwijken (v) [mening]
  • afgeweken
  • wijkt af
  • wijken af
  • week af
  • weken af
avvika (v) [mening]
  • avviken
afwijken (v) [gedrag]
  • afgeweken
  • wijkt af
  • wijken af
  • week af
  • weken af
avvika (v) [gedrag]
  • avviken
afwijken (v) [afbuigen] vika av (v) [afbuigen]
afwijken (v) [afbuigen]
  • afgeweken
  • wijkt af
  • wijken af
  • week af
  • weken af
avleda (v) [afbuigen]
  • avledd

Holländska Svenska översättingar

NL Synonymer för afwijken SV Översättningar
uiteenlopen [variëren] n divergieren
wisselen [variëren] n Geldumtausch {m}
verschillen [variëren] unterscheiden (sich)
schelen [ontlopen] nicht in Ordnung sein