Söktermen avvika har 21 resultat
SV Svenska NL Holländska
avvika (v) [uppförande]
  • avviken
uiteenlopen (v) {n} [uppförande]
  • uiteengelopen
  • lopen uiteen
  • liepen uiteen
avvika (v) [to withdraw from] zich terugtrekken (v) [to withdraw from]
avvika (v) [rymma fältet] zich uit de voeten maken (v) [rymma fältet]
avvika (v) [rymma fältet] zijn biezen pakken (v) [rymma fältet]
avvika (v) [person] niet akkoord gaan (v) [person]
SV Svenska NL Holländska
avvika (v) [person] het oneens zijn (v) [person]
avvika (v) [person] van mening verschillen (v) [person]
avvika (v) [vara olik]
  • avviken
verschillen (v) [vara olik]
  • verschild
  • verschillen
  • verschilt
  • verschilde
  • verschilden
avvika (v) [uppförande]
  • avviken
verschillen (v) [uppförande]
  • verschild
  • verschillen
  • verschilt
  • verschilde
  • verschilden
avvika (v) [mening]
  • avviken
verschillen (v) [mening]
  • verschild
  • verschillen
  • verschilt
  • verschilde
  • verschilden
avvika (v) [vara olik]
  • avviken
uiteenlopen (v) {n} [vara olik]
  • uiteengelopen
  • lopen uiteen
  • liepen uiteen
avvika (v) [mening]
  • avviken
afwijken (v) [mening]
  • afgeweken
  • wijkt af
  • wijken af
  • weken af
  • week af
avvika (v) [mening]
  • avviken
uiteenlopen (v) {n} [mening]
  • uiteengelopen
  • lopen uiteen
  • liepen uiteen
avvika (v) [vara olik]
  • avviken
divergeren (v) [vara olik]
  • gedivergeerd
  • divergeren
  • divergeerden
avvika (v) [uppförande]
  • avviken
divergeren (v) [uppförande]
  • gedivergeerd
  • divergeren
  • divergeerden
avvika (v) [mening]
  • avviken
divergeren (v) [mening]
  • gedivergeerd
  • divergeren
  • divergeerden
avvika (v) [subjekt] afwijken van (v) [subjekt]
avvika (v) [subjekt]
  • avviken
afdwalen (v) [subjekt]
  • afgedwaald
  • dwalen af
  • dwaalt af
  • dwaalden af
  • dwaalde af
avvika (v) [vara olik]
  • avviken
afwijken (v) [vara olik]
  • afgeweken
  • wijkt af
  • wijken af
  • weken af
  • week af
avvika (v) [uppförande]
  • avviken
afwijken (v) [uppförande]
  • afgeweken
  • wijkt af
  • wijken af
  • weken af
  • week af
avvika (v) [to deviate]
  • avviken
afwijken (v) [to deviate]
  • afgeweken
  • wijkt af
  • wijken af
  • weken af
  • week af