Söktermen scheiden har 63 resultat
NL Holländska SV Svenska
scheiden (v) [mensen] {n} skiljas (v) [mensen]
scheiden (v) [scheidingsmuur] {n}
  • gescheiden
  • scheidt
  • scheiden
  • scheidde
  • scheidden
åtskilja (v) [scheidingsmuur]
  • åtskild
scheiden (v) [voorwerpen] {n}
  • gescheiden
  • scheidt
  • scheiden
  • scheidde
  • scheidden
åtskilja (v) [voorwerpen]
  • åtskild
scheiden (adj n v) [to separate from prior association] {n}
  • gescheiden
  • scheidt
  • scheiden
  • scheidde
  • scheidden
utesluta (adj n v) [to separate from prior association]
  • utesluten
scheiden (v) [afscheiden] {n}
  • gescheiden
  • scheidt
  • scheiden
  • scheidde
  • scheidden
skilja (v) [afscheiden]
  • skild
NL Holländska SV Svenska
scheiden (v) [chemie] {n}
  • gescheiden
  • scheidt
  • scheiden
  • scheidde
  • scheidden
skilja (v) [chemie]
  • skild
scheiden (adj v n) [disunite something from one thing] {n}
  • gescheiden
  • scheidt
  • scheiden
  • scheidde
  • scheidden
skilja (adj v n) [disunite something from one thing]
  • skild
scheiden (v) [grens] {n}
  • gescheiden
  • scheidt
  • scheiden
  • scheidde
  • scheidden
skilja (v) [grens]
  • skild
scheiden (v) [intransitief] {n}
  • gescheiden
  • scheidt
  • scheiden
  • scheidde
  • scheidden
skilja (v) [intransitief]
  • skild
scheiden (v) [ongeval] {n}
  • gescheiden
  • scheidt
  • scheiden
  • scheidde
  • scheidden
skilja (v) [ongeval]
  • skild
scheiden (v) [scheidingsmuur] {n}
  • gescheiden
  • scheidt
  • scheiden
  • scheidde
  • scheidden
skilja (v) [scheidingsmuur]
  • skild
scheiden (v) [voorwerpen] {n}
  • gescheiden
  • scheidt
  • scheiden
  • scheidde
  • scheidden
skilja (v) [voorwerpen]
  • skild
scheiden (v) [afscheiden] {n} skiljas (v) [afscheiden]
scheiden (v) [chemie] {n} skiljas (v) [chemie]
scheiden (v) [grens] {n} skiljas (v) [grens]
scheiden (v) [intransitief] {n} skiljas (v) [intransitief]
scheiden (v) [ongeval] {n}
  • gescheiden
  • scheidt
  • scheiden
  • scheidde
  • scheidden
åtskilja (v) [ongeval]
  • åtskild
scheiden (v) [ongeval] {n} skiljas (v) [ongeval]
scheiden (v) [scheidingsmuur] {n} skiljas (v) [scheidingsmuur]
scheiden (v) [voorwerpen] {n} skiljas (v) [voorwerpen]
scheiden (adj v n) [divide itself into separate pieces or substances] {n}
  • gescheiden
  • scheidt
  • scheiden
  • scheidde
  • scheidden
splittra (adj v n) [divide itself into separate pieces or substances]
  • splittrad
scheiden (v) [afscheiden] {n} skiljas åt (v) [afscheiden]
scheiden (v) [chemie] {n} skiljas åt (v) [chemie]
scheiden (v) [grens] {n} skiljas åt (v) [grens]
scheiden (v) [intransitief] {n} skiljas åt (v) [intransitief]
scheiden (v) [ongeval] {n} skiljas åt (v) [ongeval]
scheiden (v) [scheidingsmuur] {n} skiljas åt (v) [scheidingsmuur]
scheiden (v) [voorwerpen] {n} skiljas åt (v) [voorwerpen]
scheiden (adj v n) [disunite something from one thing] {n}
  • gescheiden
  • scheidt
  • scheiden
  • scheidde
  • scheidden
avskilja (adj v n) [disunite something from one thing]
  • avskild
scheiden (n) [technisch] {n} avskiljande (n) {n} [technisch]
scheiden (adj n v) [to separate from prior association] {n} klippa bort (adj n v) [to separate from prior association]
scheiden (adj v n) [divide itself into separate pieces or substances] {n}
  • gescheiden
  • scheidt
  • scheiden
  • scheidde
  • scheidden
söndra (adj v n) [divide itself into separate pieces or substances]
  • söndrad
scheiden (adj v n) [disunite something from one thing] {n}
  • gescheiden
  • scheidt
  • scheiden
  • scheidde
  • scheidden
dela (adj v n) [disunite something from one thing]
  • delad
scheiden (v) [chemie] {n} hugga av (v) [chemie]
scheiden (v) [grens] {n} hugga av (v) [grens]
scheiden (v) [intransitief] {n} hugga av (v) [intransitief]
scheiden (v) [ongeval] {n} hugga av (v) [ongeval]
scheiden (v) [scheidingsmuur] {n} hugga av (v) [scheidingsmuur]
scheiden (v) [voorwerpen] {n} hugga av (v) [voorwerpen]
scheiden (v) [afscheiden] {n} skära av (v) [afscheiden]
scheiden (v) [chemie] {n} skära av (v) [chemie]
scheiden (v) [grens] {n} skära av (v) [grens]
scheiden (v) [intransitief] {n} skära av (v) [intransitief]
scheiden (v) [ongeval] {n} skära av (v) [ongeval]
scheiden (v) [scheidingsmuur] {n} skära av (v) [scheidingsmuur]
scheiden (v) [voorwerpen] {n} skära av (v) [voorwerpen]
scheiden (v) [relatie] {n} bryta upp (v) [relatie]
scheiden (adj v n) [cause (things or people) to be separate] {n}
  • gescheiden
  • scheidt
  • scheiden
  • scheidde
  • scheidden
dela (adj v n) [cause (things or people) to be separate]
  • delad
scheiden (v) [afscheiden] {n} hugga av (v) [afscheiden]
scheiden (adj v n) [divide itself into separate pieces or substances] {n}
  • gescheiden
  • scheidt
  • scheiden
  • scheidde
  • scheidden
dela (adj v n) [divide itself into separate pieces or substances]
  • delad
scheiden (v) [afscheiden] {n}
  • gescheiden
  • scheidt
  • scheiden
  • scheidde
  • scheidden
separera (v) [afscheiden]
  • separerad
scheiden (v) [chemie] {n}
  • gescheiden
  • scheidt
  • scheiden
  • scheidde
  • scheidden
separera (v) [chemie]
  • separerad
scheiden (v) [grens] {n}
  • gescheiden
  • scheidt
  • scheiden
  • scheidde
  • scheidden
separera (v) [grens]
  • separerad
scheiden (v) [intransitief] {n}
  • gescheiden
  • scheidt
  • scheiden
  • scheidde
  • scheidden
separera (v) [intransitief]
  • separerad
scheiden (v) [mensen] {n}
  • gescheiden
  • scheidt
  • scheiden
  • scheidde
  • scheidden
separera (v) [mensen]
  • separerad
scheiden (v) [ongeval] {n}
  • gescheiden
  • scheidt
  • scheiden
  • scheidde
  • scheidden
separera (v) [ongeval]
  • separerad
scheiden (v) [relatie] {n}
  • gescheiden
  • scheidt
  • scheiden
  • scheidde
  • scheidden
separera (v) [relatie]
  • separerad
scheiden (v) [scheidingsmuur] {n}
  • gescheiden
  • scheidt
  • scheiden
  • scheidde
  • scheidden
separera (v) [scheidingsmuur]
  • separerad
scheiden (v) [voorwerpen] {n}
  • gescheiden
  • scheidt
  • scheiden
  • scheidde
  • scheidden
separera (v) [voorwerpen]
  • separerad
scheiden (v) [afscheiden] {n}
  • gescheiden
  • scheidt
  • scheiden
  • scheidde
  • scheidden
åtskilja (v) [afscheiden]
  • åtskild
scheiden (v) [chemie] {n}
  • gescheiden
  • scheidt
  • scheiden
  • scheidde
  • scheidden
åtskilja (v) [chemie]
  • åtskild
scheiden (v) [grens] {n}
  • gescheiden
  • scheidt
  • scheiden
  • scheidde
  • scheidden
åtskilja (v) [grens]
  • åtskild
scheiden (v) [intransitief] {n}
  • gescheiden
  • scheidt
  • scheiden
  • scheidde
  • scheidden
åtskilja (v) [intransitief]
  • åtskild

Holländska Svenska översättingar

NL Synonymer för scheiden SV Översättningar
verdelen [splitsen] diviser
onderscheiden [afzonderen] distinguer
discrimineren [afscheiden] discriminer
loskoppelen [afkoppelen] dételer
afscheiden [onderscheiden] exsuder
splitsen [onderverdelen] fission {f}
isoleren [apart houden] isoler
weghouden [apart houden] se protéger de
afzonderen [apart houden] mettre sous séquestre (law)