Söktermen tvinga har 31 resultat
SV Svenska NL Holländska
tvinga (v) [binda]
  • tvingad
verplichten (v) [binda]
  • verplicht
  • verplichten
  • verplicht
  • verplichtten
  • verplichtte
tvinga (n v) [to use a shoehorn] een schoenlepel gebruiken (n v) [to use a shoehorn] (n v)
tvinga (v) [person] onder druk zetten (v) [person]
tvinga (v) [driva] onder druk zetten (v) [driva]
tvinga (v) [binda] onder druk zetten (v) [binda]
SV Svenska NL Holländska
tvinga (v) [person] druk uitoefenen (v) [person]
tvinga (v) [driva] druk uitoefenen (v) [driva]
tvinga (v) [binda] druk uitoefenen (v) [binda]
tvinga (v) [person]
  • tvingad
noodzaken (v) [person]
  • genoodzaakt
  • noodzaakt
  • noodzaken
  • noodzaakten
  • noodzaakte
tvinga (v) [driva]
  • tvingad
noodzaken (v) [driva]
  • genoodzaakt
  • noodzaakt
  • noodzaken
  • noodzaakten
  • noodzaakte
tvinga (v) [binda]
  • tvingad
noodzaken (v) [binda]
  • genoodzaakt
  • noodzaakt
  • noodzaken
  • noodzaakten
  • noodzaakte
tvinga (v) [person]
  • tvingad
nopen (v) [person]
  • genoopt
  • nopen
  • noopt
  • noopten
  • noopte
tvinga (v) [driva]
  • tvingad
nopen (v) [driva]
  • genoopt
  • nopen
  • noopt
  • noopten
  • noopte
tvinga (v) [binda]
  • tvingad
nopen (v) [binda]
  • genoopt
  • nopen
  • noopt
  • noopten
  • noopte
tvinga (v) [person]
  • tvingad
verplichten (v) [person]
  • verplicht
  • verplichten
  • verplicht
  • verplichtten
  • verplichtte
tvinga (v) [driva]
  • tvingad
verplichten (v) [driva]
  • verplicht
  • verplichten
  • verplicht
  • verplichtten
  • verplichtte
tvinga (v) [binda]
  • tvingad
opleggen (v) {n} [binda]
  • opgelegd
  • legt op
  • leggen op
  • legde op
  • legden op
tvinga (v) [person]
  • tvingad
dwingen (v) [person]
  • gedwongen
  • dwingen
  • dwingt
  • dwongen
  • dwong
tvinga (v) [force, constrain or coerce]
  • tvingad
dwingen (v) [force, constrain or coerce]
  • gedwongen
  • dwingen
  • dwingt
  • dwongen
  • dwong
tvinga (v) [driva]
  • tvingad
dwingen (v) [driva]
  • gedwongen
  • dwingen
  • dwingt
  • dwongen
  • dwong
tvinga (n v) [compel (someone to do something)]
  • tvingad
dwingen (n v) [compel (someone to do something)]
  • gedwongen
  • dwingen
  • dwingt
  • dwongen
  • dwong
tvinga (v) [binda]
  • tvingad
dwingen (v) [binda]
  • gedwongen
  • dwingen
  • dwingt
  • dwongen
  • dwong
tvinga (v) [mening]
  • tvingad
opdringen (v) [mening]
  • opgedrongen
  • dringen op
  • dringt op
  • drongen op
  • drong op
tvinga (v) [öppna]
  • tvingad
openwrikken (v) [öppna]
  • opengewrikt
  • wrikken open
  • wrikt open
  • wrikten open
  • wrikte open
tvinga (v) [öppna]
  • tvingad
forceren (v) [öppna]
  • geforceerd
  • forceren
  • forceert
  • forceerde
  • forceerden
tvinga (v) [person]
  • tvingad
forceren (v) [person]
  • geforceerd
  • forceren
  • forceert
  • forceerde
  • forceerden
tvinga (v) [driva]
  • tvingad
forceren (v) [driva]
  • geforceerd
  • forceren
  • forceert
  • forceerde
  • forceerden
tvinga (v) [binda]
  • tvingad
forceren (v) [binda]
  • geforceerd
  • forceren
  • forceert
  • forceerde
  • forceerden
tvinga (v) [öppna]
  • tvingad
openbreken (v) {n} [öppna]
  • opengebroken
  • breekt open
  • breken open
  • braken open
  • brak open
tvinga (v) [person]
  • tvingad
opleggen (v) {n} [person]
  • opgelegd
  • legt op
  • leggen op
  • legde op
  • legden op
tvinga (v) [driva]
  • tvingad
opleggen (v) {n} [driva]
  • opgelegd
  • legt op
  • leggen op
  • legde op
  • legden op