Söktermen steek har 29 resultat
NL Holländska SV Svenska
steek (n) [zintuiglijke gewaarwording] {m} sting (n) {n} [zintuiglijke gewaarwording]
steek (n) [zintuiglijke gewaarwording] {m} hugg (n) {n} [zintuiglijke gewaarwording]
steek (n) [pijn] {m} hugg (n) {n} [pijn]
steek (n) [naaiwerk] {m} hugg (n) {n} [naaiwerk]
steek (n) [insecten] {m} hugg (n) {n} [insecten]
NL Holländska SV Svenska
steek (n v) [act of stabbing] {m} hugg (n v) {n} [act of stabbing]
steek (n) [zintuiglijke gewaarwording] {m} styng (n) {n} [zintuiglijke gewaarwording]
steek (n) [pijn] {m} styng (n) {n} [pijn]
steek (n) [naaiwerk] {m} styng (n) {n} [naaiwerk]
steek (n) [insecten] {m} styng (n) {n} [insecten]
steek (n) [zintuiglijke gewaarwording] {m} stygn (n) {n} [zintuiglijke gewaarwording]
steek (n v) [single pass of the needle in sewing] {m} stygn (n v) {n} [single pass of the needle in sewing]
steek (n) [pijn] {m} stygn (n) {n} [pijn]
steek (n) [naaiwerk] {m} stygn (n) {n} [naaiwerk]
steek (n) [insecten] {m} stygn (n) {n} [insecten]
steek (n) [hygiëne] {m} bäcken (n) {n} [hygiëne]
steek (n) [pijn] {m} sting (n) {n} [pijn]
steek (n) [naaiwerk] {m} sting (n) {n} [naaiwerk]
steek (n) [insecten] {m} sting (n) {n} [insecten]
steek (n) [zintuiglijke gewaarwording] {m} stick (n) [zintuiglijke gewaarwording] (informal)
steek (n) [pijn] {m} stick (n) [pijn] (informal)
steek (n) [naaiwerk] {m} stick (n) [naaiwerk] (informal)
steek (n) [insecten] {m} stick (n) [insecten] (informal)
steek (n v) [act of stabbing] {m} stick (n v) [act of stabbing] (informal)
steek (n v) [an attack with a sword] {m} stöt (n v) [an attack with a sword] (u)
steek (n) [zintuiglijke gewaarwording] {m} bett (n) {n} [zintuiglijke gewaarwording]
steek (n) [pijn] {m} bett (n) {n} [pijn]
steek (n) [naaiwerk] {m} bett (n) {n} [naaiwerk]
steek (n) [insecten] {m} bett (n) {n} [insecten]

Holländska Svenska översättingar

NL Synonymer för steek SV Översättningar
scheut [schok] m Sprössling {m}
prik [steek] m alkoholfreies Getränk {n}
stoot [priem] m Stoß {m}
po [ondersteek] m Nachttopf {m}
pijn [messteek] m Schmerz {m}
snauw [schimpscheut] m Knurren {n}
uitval [schimpscheut] m Ausfall {m}